Lezing | De kunst die de stad weer wakker kust

door Eva de Klerk, in het kader van de Boekmanlezing 2015

Wat een mooi beeld: de stad slaapt, misschien is ze wel dood, niks of niemand kan haar wakker krijgen. En dan komt de kunstenaar, en hij geeft de stad iets – een KUS, een klapzoen, een dikke pakkerd – waardoor zij weer ademt en straalt en bloeit. De kus is een krachtige metafoor. Wat mij betreft komt een goede kus altijd van twee kanten.

Aan de hand van een casus waar ik nauw bij betrokken ben geweest wil ik bekijken of dat in het geval van de kunstenaar en de stad ook het geval is. Moet de kunstenaar al het kuswerk doen, of kust de stad ook wel eens terug. En wat voor kus geven ze elkaar dan?”

De casus is de NDSM-werf en ik wil vooral ingaan op de achtergrond en beginperiode van de werf, van verlaten scheepswerf tot hotpsot aan het IJ.

Toen de scheepsbouwindustrie aan de Amsterdamse IJ-oevers in de jaren 80 stil kwam te liggen. kwamen tientallen pakhuizen en loodsen leeg te staan. Omliggende terreinen en werven raakten in verval. Zoals het iedere goede wereldstad betaamt kwamen daar eerst de stadsnomaden, hoeren, daklozen en vluchtelingen, onmiddellijk gevolgd door kunstenaars, paradijsvogels en jongeren die vrij buiten wilden spelen. Zo ook in Amsterdam, en wel aan de zuidelijke IJ-oevers. Noord stond toen nog niet op de kaart van Amsterdam, dat was ergens ver weg aan aan de overkant.

De vele lege pakhuizen werden vanwege de hoge huren in het centrum, maar ook vanwege de rauwe uitstraling en fantastische afmetingen gekraakt, in gebruik genomen en heringericht, en zo begonnen de rafelranden van de stad weer te leven. Er ontstond een levendige subcultuur waar Amsterdam zo bekend om stond. Een stad van contra-imago’s, vrijzinnigheid, tolerantie en cultureel experiment. Internationaal geroemd als de Hollandse avant-garde.

Tot de jaren 90. Toen bedachten de stad en een consortium van banken en ontwikkelaars het plan om de IJ-oevers te transformeren tot Wall Street aan het IJ. Hier moest de financiële sector een nieuwe hart krijgen met skyscrapers, luxe-appartementen en zonnige boulevards zoals in Barcelona en Parijs. Als antwoord op de plannen – die overigens jaren later sneuvelden omdat de financiële sector toch liever voor de Zuidas koos – richtten wij, pandgebruikers op de zuidelijke IJ-oever, in 1993 Het Gilde van Werkgebouwen aan het IJ op. Het Gilde schreef een boek over de rol van de gebruiker bij de herontwikkeling van oude havenpanden, niet alleen in Amsterdam maar ook in andere vooral regenachtige steden zoals Liverpool, Bristol, Dublin, Kopenhagen, Rostock en Szczecin in Polen.

Het Gilde lanceerde – samen met twee Amsterdamse woningcorporaties – het manifest “de stad-als-casco” om zo als serieuze partner gezien te worden en mee te doen met de ambities van gemeente en ontwikkelaar. Want waarom zouden wie niet samen optrekken en samen bedenken waar het heen moet? Wel is er een cruciaal verschil of je de stad dan volgens een commercieel groeimodel ontwikkelt of dat je een duurzaam model toepast. Dit al een kleine voorschot op de conclusie waar het heen gaat met deze zoenpartij.

De stad als casco is een methode waar ik heel veel over kan vertellen maar het komt hierop neer: “Geld verdienen in het pand, niet aan het pand”. Let op! In deze zin zit twee keer het woord verdienen. We zijn echt niet vies van geld, we betalen huur, onderhoud, belasting etc. We ontwikkelen kostendekkend en dat betekent dat de opbrengsten voortkomen uit het gebruik van het gebouw en niet op vermeende waardestijging en verpanding daarvan. Daarbij opgelet dat je geen grootschalige formats erop gaat leggen zoals nu met het huisvestingsbeleid voor kunstenaars van de gemeente Amsterdam: alle kunstenaars worden getoetst langs dezelfde meetlat, je moet voldoen aan de beroepenlijst, er wordt voorrang gegeven aan internationaal toptalent, kunstenaars moeten doorstromen en voldoen aan een inkomenseis waarbij er ook nog sprake is van een partnertoets. Het model van de stad-als-casco vraagt niet om deze regels maar legt de zeggenschap bij de kunstenaar zelf. Ieder pand zijn eigen verantwoordelijkheid om op deze manier de eigen dynamiek te waarborgen. Ieder vogeltje bouwt tenslotte zijn eigen nest.

De stad-als-casco is een expliciete keuze voor circulaire economie in plaats van het lineaire groeimodel gebaseerd op 10% groei voor de aandeelhouders. De stevige casco structuur van de oude pakhuizen en werven staan garant voor flexibele invulling door de gebruikers zelf. Het gebouw kan zo mee veranderen in de tijd naar gelang de veranderende behoeften. We bedachten dat je zo ook nieuwbouw kan realiseren.

Desondanks ontruimde de gemeente Amsterdam ruim 1.000 kunstenaars en jongereninitiatieven zoals het beroemde 3rd Floor Skatepark in Vrieshuis Amerika. Met het stad-als-casco manifest onder mijn arm heb ik samen met de skateboarders en een bijstandsmoeder een plan gemaakt voor de herontwikkeling van een deel van de NDSM-werf. Wij noemden ons Kinetisch Noord en beschreven de IJsprong naar Noord, een plek waar niemand dood gevonden wilde worden.

Onze ambitie: naar de bank, zelf een stad ontwerpen, zelf financieren, zelf bouwen in een gigantische loods van twee voetbalvelden groot. En met ons beroep dingen doen (experimenteren, innoveren) die nergens anders in de stad meer kunnen. Zo gaven we weer kleur aan de stad en haar imago dat destijds behoorlijk dreigde te vertrutten.

In 1999 verleidde wij de stad om de oversteek naar Noord te maken en de werf door de ogen van de kunstenaars te laten zien. En hiermee werd Noord voorzichtig wakker gekust. Toenmalige burgemeester Schelto Patijn riep “geen cultuur zonder subcultuur!”. Dat was nog eens een goede kus van de stad terug.

Vervolgens kwamen de eerste hobbels. De grond was zwaar vervuild. het dak van de loods stond op instorten en er waren geen enkele voorzieningen. Totale kosten om het gebouw schoon, droog en veilig te maken en in te richten: 28 miljoen. Met de bouw van 28.000 verhuurbare vierkante meters konden we – met de 450 aanmeldingen die we al binnen hadden – het investeringsbedrag zelf opbrengen mits we eigenaar zouden worden en naar de bank konden. Hier komt geen projectontwikkelaar aan te pas. Eigendom verwerven was echter nicht im Frage, want de gemeente wilde de loods in de toekomst slopen en de grond aan de hoogste bieder verkopen. Toen werd het kussen al wat minder gepassioneerd.

We kregen een huurcontract van tien jaar (en een paar jaar later 25 jaar na aandringen van de buurt voor het behoud van de werf). We kwamen 8 miljoen tekort omdat we voor een periode van tien jaar, zonder eigendom, niet naar de bank konden. De eigenaar van de loods, het stadsdeel, wilde er geen geld in stoppen. De gemeente en het Rijk wel. Het is toch eigenlijk gek dat de jongen met wie je staat te zoenen, je niet leuk vindt maar zijn ouders wel. Het Rijk riep ons zelfs uit tot meest innovatieve voorbeeldproject van Nederland. Met de zelf ondernomen subsidies konden we het achterstallig casco onderhoud wegwerken, de vervuilde grond saneren en infrastructuur aanleggen. De inbouw financierde we zelf.

In 2002 hadden we het financieel rond en konden we aan de slag. Nog voor de verbouwing – eerst de mensen, dan het ontwerp – trokken 70 makers in de kapotte hal. Met krijtjes bakenden we onze meters af en iedereen betaalde een vast bedrag per m2. Daarmee toonden we commitment en konden we de start van de organisatie beginnen met een tijdelijke stichting, een rekeningnummer en een kleine werkteam. We startten bouwworkshops voor het ontwerp, inrichting en beschreven een gefaseerde bouw van tenminste zes (tot maximaal tien) bouwprojecten. Een groot deel van de subsidies parkeerden we in goed vertrouwen “we trouwden in gemeenschap van goederen” bij het stadsdeel, onze samenwerkingspartner en eigenaar van de loods. Samen schreven we een uitvoeringsplan voor de komende tien jaar (2002-2012) waarin alle bouwprojecten, budgetten, de meerjarenbegroting en planning werden vastgelegd. De eerste zes bouwprojecten onderscheiden zich qua discipline en gedeeld belang.

  1. Oostvleugel, 12 theaterwerkplaatsen
  2. Kunststad, nieuwbouw casco in een oud casco met 80 ateliers en kantoorunit
  3. Vrije Kavels aan de zuidgevel met werkplaatsen voor groot en industrieel werk
  4. Noordstrook, 3.000 m2 expositieruimte met ruimte voor een nog te ontwikkelen ‘Toren van Babylon’ (ateliers en werkruimtes)
  5. Café-restaurant Noorderlicht, initiatief van twee strobouwvrouwen
  6. Skatepark Amsterdam

Deze verdeling was ook de aanzet voor de organisatiestructuur met 500 man. Per bouwproject een stichting of vereniging. Een soort van vereniging van 6 eigenaren model. Met dien verschil dat we geen eigenaren waren maar investerende huurders. Het exploitatietekort in de eerste vijf jaar was een half miljoen, het saldo na 10 jaar een paar ton in de plus. Na afronding van de bouwprojecten zou de stichting haar taken overhevelen naar de georganiseerde huurders.

Voor de uitvoering van het plan bleken we tot onze schrik met de verkeerde partner in bed te liggen. Deze was duidelijk op ons uiterlijk afgekomen maar begreep niets van onze innerlijk. Van kussen was allengs geen sprake meer. Na de oplevering van de eerste zes (van tien) bouwprojecten werd ons plan in 2007 stilgelegd om plaats te maken voor een commerciële ontwikkeling. Het skatepark is eind 2013 ontruimd om plaats te maken voor commercieel vastgoed. En is onze werf een festivalterrein geworden.

Ons innerlijk. Als kunstenaar willen we de gemeenschap wakker kussen voor een duurzame doelstelling langs vier lijnen van ontwikkeling: 1) circulair (economisch), 2) door een gemeenschap gedragen, niet door een abstract instituut of individu (sociaal), 3) door alle partijen mede tot stand gebracht (bestuurlijk) en 4) met respect voor de omgeving en het milieu (technisch). Dat sluit helemaal niet uit dat we enthousiast zijn met de komst van de commerciële bedrijven als buren en andere gebruikers van het casco. Dat is de kus die we willen geven. Voor wie het nog niet bekend is, samen met onze nieuwe commerciële buren hebben we in 2013 een energie-coöperatie opgericht, NDSM Energie. In 2016 staat onze eigen windmolen die een derde van de energiebehoefte op de werf opwekt.

Duurzaamheid is een hoger belang dan commercie, want met commercie maken we alles kapot. Zo waarschuwt ook Saskia Sassen ons in “De Staat van de Stad” van 18 mei jl. voor de vernietigende sporen van het rendement en de economic cleansing als gevolg daarvan.

Ons uiterlijk. De gemeente denkt dat ze een trofee wife aan de haak geslagen heeft die het imago van de hippe stad gratis en voor niets vooruit gaat helpen. Maar de gemeente zat en zit nog steeds in een lineaire logica van winstmaximalisatie waarbinnen een non-profit initiatief per definitie een kostenpost is of gesubsidieerd moet worden. Daar is het spaak gelopen en als ik nu lees dat ons wordt verweten dat we niet commercieel zijn, zoals Zef Hemel vertelt in het Boekmantijdschrift 101, pagina 11, dan doet dat pijn want het is niet waar. We kunnen prima onze eigen broek ophouden maar we zijn geen handelshuizen waar de winstmarges centraal staan. We maken deel uit van de producerende economie zoals bijvoorbeeld een fietsenmaker. Gemeente, wordt eens wakker!

Dus, lieve mensen, blijf vooral kussen! Maar let altijd op of je terug gekust wordt. En hoe dat gebeurt. Ook jij kan wakker gekust worden, want misschien verkeer je ook nog in een droom- of waanwereld waar de ander je uit kan halen. Laat de prins maar komen. Maar bedenk wel dat we het hier hebben over het wakker kussen, het tot leven wekken met de zoen. Er bestaat ook een andere kus, de Kiss of Death. Een kunstenaar die gaat kussen met de stad moet oppassen dat hij niet de doodskus krijgt.

Eva de Klerk was initiatiefnemer van de herontwikkeling van de scheepsbouwloods en is als pleitbezorger van ‘De Stad als Casco’ methode een veelgevraagde spreker over duurzame en bottom-up stadsontwikkeling in binnen-en buitenland.