Lezing: Hans Goedkoop over de geschiedenis van de NDSM-werf

door: Hans Goedkoop, ter gelegenheid van de opening van de tentoonstelling Tussen IJzer en Staal, 70 jaar NDSM op 17 april 2016 bij Nieuw Dakota

Voor degenen onder u die de geschiedenis van de NDSM een beetje kennen, verraadt mijn achternaam het al. Ik sta hier als historicus, maar ook als nazaat ván. In die dubbelrol is mij gevraagd hier iets te zeggen, dus vergeeft u me dat ik u meevoer naar mijn stamboom.

De oprichter van de NSM, de ene helft van de latere NDSM, is mijn overgrootvader. Daniël Goedkoop, bin-nen de familie Daan 2. Hij was zoals veel Goedkopen op school geen grote belofte, eigenwijs, in taal van die dagen ‘sterk vertrouwend op eigen inzicht’, maar verdomd als het niet waar was, hij had inzicht. Op zijn 17e, 1867, kreeg hij van zijn vader, Daan 1, scheepswerf ’t Kromhout aan de Hoogtekadijk te besturen en hij maakte er wat van. Zag dat de tijd om grotere schepen vroeg, om ijzer in plaats van hout, om stoom in plaats van zeil, en greep zijn kans toen notabelen van ons land in de jaren 1890 opriepen om de bouw daarvan mogelijk te maken. Goedkoop trok het plan naar zich toe, schreef een brochure, gaf aandelen uit, en mocht zich even later directeur noemen van de Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij – een sprong van Amsterdam en zelfs van Nederland in de moderne wereld.

In de familie ken ik twee anecdotes uit de tijd die volgde die steeds weer worden verteld. Bij een landelijke stakingsgolf die ook de NSM bereikte, ik meen die van 1903, kreeg Daan van de politie het advies om niet naar de werf te gaan, want hij zou langs de stakers moeten en hij zou zijn leven dan niet zeker zijn. Waar-op Daan zijn hoed opzette en in gestrekte pas naar de werf liep, de stakers voor zijn voeten uiteendrijvend met zijn wandelstok. Hij kwam heel aan en wist dat hij nog het gezag had om de stakingsstrijd te winnen – zo deed je dat.

En dan is er nog het verhaal van de tewaterlating van een schip dat eigenlijk te diep lag. De NSM lag toen nog op Oostenburg, in de beste tradities van de VOC, en de Oostenburgervaart was nog niet ingericht op de moderne scheepsbouw. Dus wat deed hij? Hij regelde bij het stadsbestuur dat het waterpeil in de stad een paar dagen werd verhoogd, tot het tewatergelaten schip het open water had bereikt. Opnieuw, zo deed je dat.

U voelt ‘m al, de man was nogal een mannetje. In de familie zijn wij daar op een vertederde manier trots op en het heeft bij mij heel lang geduurd voor ik de keerzijde zag. Stel je voor dat je in die dagen in ene kelderkrot in de Jordaan woonde, zoals zeker vijfduizend Amsterdammers deden, en het waterpeil werd plotseling verhoogd… Ik krijg niet de indruk dat Daan 2 daar erg mee zat. Zoals hij ook niet met het breken van een staking zat. Of het ontslaan van de stakers. Of een deal met andere werfeigenaren, dat zij die sta-kers ook niet meer in dienst zouden nemen. Je moest wel de baas zijn – en zo deed je dat.

Toch moet je bewondering opbrengen voor het resultaat. In 1919 droeg Daan de werf over aan zijn oudste zoon, Daan 3, terwijl de werf zich opmaakte voor verhuizing naar waar we nu zijn, in Noord – een plek om schepen voor de grote wereldmarkt te bouwen. Zijn jongere zoon Jan bouwde intussen even verderop in Noord aan scheepsmotorenfabriek Kromhout. De werf zou in de volgende decennia uitgroeien tot veruit de grootste van ons land, de scheepsmotorenfabriek tot een van de grootste van de wereld. Om de paar jaar zou de koningin langskomen om een schip te dopen of een motor te lanceren, met de koninklijke sloep over het IJ roeiend, begroet door een enorme vlaggende vlootschouw van alles wat maar Amster-dams was. Bioscoopjournaals zouden het filmen, straks ziet u fragmenten in de expositie, filmbezoekers in het hele land zouden het dus bewonderen en liederen zouden het dan nog eens bejubelen. Zoals een jubileumlied van de NSM het zei:

NSM-ers bezingt de Scheepsbouw
Holland doet zijn roem gestand
Schepen die onze werf verlaten
Zijn een sieraad voor het land
Brengen ver over de wereldzeeën
Onze vlag aan iedere ree
Zo is Hollands geest
Door de eeuwen heen geweest

Dat is nogal wat. Maar het werd gemeend. De scheepsbouw van de nieuwe tijd was wat de VOC in onze grote 17e eeuw geweest was. Hollands glorie wereldwijd, toen zowel als nu, niks meer of minder – en daar zit iets in als je bedenkt dat schepen in het interbellum nog de grootste en meeste ingewikkelde voort-brengselen van de industrie, om niet te zeggen van de mensheid waren. Vandaar die koningin alsmaar, vandaar dat de broers Daan en Jan in kroonjaren een handgeschreven briefje van de burgemeester kregen, dat ze voorgingen in de oprichting van de Industrieele Groote Club, of van een overleg tussen Rotterdamse en Amsterdamse havenondernemers, die elkaar vanouds de tent uit vochten. Het kwam hun toe. Zij waren niet zomaar ondernemers, zij stonden symbool voor de innovatie van ons land. De vlag in top – op naar een Tweede Gouden Eeuw.

Dat brengt me bij het eigenlijke punt dat ik vandaag wil maken. Weten we dat in ons land nog, hoe belangrijk deze plek was? De vijf hellingen, de ongekende omvang voor die tijd, de omvang van de schepen en de omvang van het achterland – Amsterdam-Noord, die braakliggende zomp die in een mum van tijd een wijk voor vele duizenden scheepsbouwarbeiders werd, met winkels en verenigingsleven en wat al niet? Ik stel het als retorische vraag, we hebben geen idee meer, de vaderlandstrots is verdampt, de kennis weg. Zelfs voor de meeste Amsterdammers is de NDSM een onbestemd soort oude industrie, voornamelijk geschikt om horeca aan het water de industriële look & feel te geven die helemaal de vibe van vandaag zijn.

Die vergetelheid heeft iets typerend Amsterdams. Rotterdam, dat is de haven. Amsterdam, dat is een hele-boel andere dingen en dat is al heel lang zo, dat zit in het zelfbeeld van de stad. Maar de vergetelheid komt ook voort uit iets anders, dat ik mooi kan illustreren, nu ik het daar toch over heb, aan mijn familie. Want als ik kijk naar mijn broers en mij, ook wij wisten maar weinig van die scheepsbouwgeschiedenis – niet meer dan de anecdotes die ik noemde. Mijn vader sprak er weinig over en wanneer het toch gebeurde kwam het in de regel neer op ‘ergernissen’. Iets met aandeelhouders, mes in de rug, een brouille in de familie. Wij vonden het humeurige verhalen en haakten af.

Pas veel later ben ik gaan begrijpen dat wij hier getuigen waren van een hoofdstuk uit een groot verhaal waarover ik hier kort zal zijn omdat het zo ontzettend triest is en wij dat hier niet willen zijn. De teloor-gang van de Nederlandse scheepsbouw in de jaren 60 en de nationale trots die daar aan vastzat. Kromhout Scheepsmotoren stortte het eerst in, vroeg in de jaren zestig, werd voor drie keer niks verkocht aan Stork, en daarna ging de NSM, al sinds de oorlog samen met de NDM, van fusie naar fusie, om te eindigen als lege hallen waarvoor niemand een bestemming wist.

Het traumatische van die geschiedenis liet zich bij ons in de familie voelen. Voor mijn vader was de scheepsbouw niet meer iets om trots op te zijn. Eerder beschaamd. In handen van zijn generatie was het kapot gegaan, je zweeg er liever over – en het zou mij niet verbazen als dat mechanisme ook ver buiten de familie speelde, eigenlijk bij iedereen die trots geïnvesteerd had in die industrie, dus eigenlijk bij heel ons land. Het einde van de scheepsbouw was zoals het einde van Nederlands-Indië en zoals alles wat je trots krenkt. Je stopt het weg, je zeurt er niet meer over, niet als individu maar ook niet meer als stad. Je gaat dóór.

Zo is Amsterdam, nog meer dan het al deed, de andere kant op gaan kijken. Naar de Zuidas, naar Schiphol, de nieuwe handelshavens van de stad. De ene voor het luchtverkeer, de andere voor het digitale verkeer, en beide ver van het water, met de rug naar die vorige havens hier. Die is na leegstand het terrein gewor-den van bedrijfjes aan de rafelrand, probeersels, kunstenaars, en van een aantal enthousiastelingen die het er niet bij laten zitten dat we het verleden hier laten verwateren. Een broedplaats is het nu – van crea-tiviteit en van geschiedenis.

Dat is geen vetpot, laten we eerlijk zijn, en zeker niet naast Schiphol en de Zuidas. Maar laat ik nu ook eens iets optimistisch zeggen. Ik denk dat het een unieke combinatie is waar we als land opnieuw profijt van kunnen hebben. Creativiteit is het begin van innovatie en die innovatie zou zich kunnen laten inspirereren door dat roemruchte verleden. Hoe ontstond die industrie hier? Wat was er voor nodig? Wat voor mannen waren het die het voor elkaar kregen en wat zegt hun optreden voor nu? Het waren mannen wier moreel je niet altijd kunt prijzen, maar die je door hun verdiensten toch veel moet vergeven. Wie zijn dat soort mannen nu? Hoe kun je ze zoveel mogelijk stimuleren en moreel toch in de hand houden? Et cetera, et cetera. Allemaal vragen die hier worden opgeroepen zoals nergens anders. Na de kunstenaars zie je de laatste jaren ook maatschappelijke organisaties naar het NDSM-terrein komen. MTV zit er nu. De Hema is gevolgd, nadrukkelijk op zoek naar de inspiratie die hier ligt van creatieve industrie en innovatief verleden, en wat zou er mooier zijn dan dat die lijn wordt voortgezet. Wat zou er mooier zijn dan heden-daagse industrie die de enorme hallen van destijds weer vult en zelf gevuld wordt door de innovatieve geest van toen. Laten we daar op drinken.

Hans Goedkoop is een Nederlands historicus en literatuurcriticus. Hij is bekend als presentator van een aantal televisieprogramma’s van de NTR en VPRO, waaronder Andere Tijden, De Gouden Eeuw en De IJzeren Eeuw.